cursus code: GB2WCOG2
academisch jaar 2006-2007
ONDERWERPEN
| Onderwerp 1:Het Griekse vreemdenbeeld: wat is een barbaar? | inhoudsopgave |
|
Stereotypen bepalen de Griekse
beeldvorming inzake de ander. Veel van deze stereotypen komen al
direct boven wanneer we de geschiedenis van het woord barbaros nagaan.
Hoe wordt dit woord, of afgeleiden daarvan, gebruikt en zijn er bepaalde
veranderingen te constateren? Concentreer op archaïsch en klassiek materiaal.
Inleidend: Christ 1959, 273-276, Windisch 1933, Jüthner 1923, 1-33, Haarhoff
1938, 51-59 en Funck 1981. Aanvullend materiaal: Opelt & Speyer 1967, 251-266.
Nadere uitwerking in Schwabl 1962, Diller 1962, en Reverdin 1962 (let op de
discussies (tegelijk samenvatting), met name 24, 69-70, 108-120; zie ook de
samenvatting (en kritiek) in Herter 1966, 577-584). Zet tegenover Schwabl Weiler
1968 en Lévy 1984.
|
|
| Onderwerp 2: Een Grieks vreemdenbeeld: het Atheense drama | inhoudsopgave |
|
Er zijn vele ingangen om het
vreemdenbeeld van de Atheners te reconstrueren: één manier is het nagaan van
het (gestileerde) beeld in een literaire kunstvorm bedoeldvoor een ruim
publiek. Hoe was de Atheense kijk op de buitenwereld, zoals we die kunnen aflezen
uit het Atheense drama en zijn er daarbij opvallende verschillen te constateren
tussen de tragedie en de comedie? Tragedie: Bacon 1961 (vergelijk de recensie
door Herter 1966, 584 e.v.). Ga verder in algemene literatuur, zoals Jüthner
1923 en
Haarhoff 1938 nog na wat daar over de tragici gezegd wordt. Vergelijk voor Euripides
ook Saïd 1984. Voor de comedie: Long 1986 en Zimmermann in Riemer & Riemer
2005, 147-156. Overigens biedt Long een beter
model om op te bouwen dan Bacon: probeer eerder de tragedie te bekijken op een
wijze zoals Long dat met de comedie doet, dan de comedie à la Bacon te
benaderen.
|
|
| Onderwerp 3: De vreemde verbeeld: de Atheense kunst | inhoudsopgave |
|
De afbeeldingen van Skythen,
Perzen, zwarten en andere barbaren (slaven!) in de Atheense beeldende kunst kunnen
ons mogelijk iets vertellen over de waardering van deze lieden, bijvoorbeeld
door de mate van realisme of karikatuur. Zie om te beginnen Raeck 1981.
Vervolgens Metzler 1971, 108-128, en voor zwarten ook de literatuur genoemd bij
onderwerp 23. Een breed overzicht van de ander: Cohen 2000. Zie voor de slaaf in de kunst Himmelmann 1971. Probeer het
materiaal te relateren aan gegevens uit schriftelijke bronnen zoals die zijn
samengevat in algemene werken, zoals Windisch 1933, Jüthner 1923,
Haarhoff 1938, Opelt & Speyer 1967. Hierbij gericht te werk gaan, dus
naar aanleiding van de afbeeldingen bepaalde zaken naslaan.
|
|
| Onderwerp 4: Het Griekse zelfbeeld: Grieks patriottisme | inhoudsopgave |
|
Tegenover het beeld van de
vreemde staat als noodzakelijke pendant het zelfbeeld. Nationalisme,
patriottisme, vaderlandslievendheid vinden we bij Grieken en Romeinen, maar
de verschillen zijn aanzienlijk. In het geval van de Grieken moeten we ons
afvragen waar nu precies hun loyaliteit naar uitging: de eigen polis, het hele
Griekendom? Begin met Laurot 1981 (het zelfbeeld tegenover het vreemdenbeeld).
Algemene inleidingen in de problematiek van Grieks nationalisme: Walbank
1951; Walbank 1972, 145-168; Bengtson 1954, 25-40. Ga zeker enkele van de
begrippen die genoemd worden, zoals amphictionie en isopolitie, verder na.
Specifiek over Atheno-centrisme: Jüthner 1923, 34-43. Een nadere invulling in
Loraux 1986 (pp 157-173 in Franse ed 1981: Marathon als paradigma; lees ook de noten achterin,
dat zijn de cijfers tussen ronde haken) en Loraux 1993 (7-26, 35-74, in
Franse ed 1981).
|
|
| Onderwerp 5: Het Griekse zelfbeeld: Griekse etniciteit | inhoudsopgave |
|
Wat verstonden de Grieken nu precies onder Griekendom? En is dat aan verandering
onderhevig? Een simpel introotje in het relevante hoofdstuk van Cartledge 1993.
Zie bovenal de maatgevende publicaties van J. Hall 2005 en 1997. Vgl. Malkin
2001. Malkin 1998 bekijkt het probleem vanuit het gezichtspunt van de
kolonisatie. Heath 2005 benadert de zaak vanuit de taal: Griekssprekenden
tegenover de rest (de barbaren, de dieren).
|
|
| Onderwerp 6: Een tegenbeweging: eenheidsdenken | inhoudsopgave |
|
Als complement van de
antagonie van zelf- en vreemdenbeeld de tegenbeweging: de idee van de eenheid
van alle mensen. Hierbij speelt de waardering van de slavernij natuurlijk ook
een grote rol. Beperk het onderzoekje tot Grieks materiaal. Een kort maar
krachtig overzicht in Baldry 1962. Verder aanvullen met gegevens uit Baldry
1965, 1-112; vergelijk over Alexander de Grote Baldry 1965, 113-134 (met name
diens opmerkingen over Tarn) en Bosworth 1980. Voor Isokrates en zijn ideeën
Perlman 1967, Perlman 1976 en Jäckel 1991, Usher 1993. Vergelijk ook relevante passages in algemene
werken als Jüthner 1923 en Haarhoff 1938.
|
|
| Onderwerp 7: Vreemden en vreemde invloeden in archaïsch Griekenland | inhoudsopgave |
|
In de achtste eeuw voor Christus blijkt de Griekse
wereld zich nog geenszins voor de boze buitenwereld te hebben afgesloten:
mensen, objecten en ideeën zijn welkom. Een veel-omvattend overzicht van de
oriëntaalse invloeden op het archaïsche Griekenland leveren Burkert 1984,
15-118, en West 1997. Kies zelf één of meer punten uit om dieper op in te gaan met behulp van
Burkerts of Wests annotatie. Schenk in ieder geval aandacht aan handelscontacten: een
algemeen overzicht van de Griekse relaties overzee levert Boardman 1980. Ook
kunnen wijgeschenken aan bod komen: zie Kilian-Dirlmeier 1985, 215-254
(met name op de verschillende diagrammen en tabellen letten, en op de
conclusie); vergelijk Amandry 1977 voor de uitwerking van een concreet voorbeeld.
|
|
| Onderwerp 8: Vreemden in de Griekse stadstaat | inhoudsopgave |
|
Welke is in de klassieke polis
de status van een vreemde? Er bestaat zoiets als een internationale politiek:
dat impliceert formele contacten met Grieken uit andere poleis en met
niet-Grieken. Informele contacten zijn er ook, althans in het geval van een
relatief open polis als Athene. Hoe verhouden deze contacten zich ten
opzichte van de evidente xenofobie? Begin met een afgrenzing van van begrip xenos,
en vervolg met het verschijnsel van de proxenia: Gauthier 1973; Herman
1987, 10-13, 116-161 (ook over verraad/patriottisme). Verdere uitwerking
in Vatin 1984, 9-34, 143-193 en Baslez 1984, 39 e.vv., 120 e.vv.. Diepgravender:
Gauthier 1972, 18-26 (en samenvattend 57-61) over de ontwikkeling van xenia
naar proxenia. Haal uit Gauthier 1972 verder informatie over de kernbegrippen
asyl, symbola(i), isopoliteia, en lees zijn conclusies over de
ontwikkelingen in het internationaal recht.
|
|
| Onderwerp 9: Vreemden in Athene | inhoudsopgave |
|
In het klassieke Athene liep
men de gehele dag vreemden tegen het lijf: slaven en metoiken. Ook hadden vele
Atheners niet-Atheens of niet-Grieks bloed in de aderen. Hoe moet men zich dit
dagelijks verkeer voorstellen: was er sprake van een dys-stereotypie en/of van
discrimatie? De brede achtergrond geeft McKechnie 1989. Een algemeen overzicht
voor Athene bieden Diller 1937, 82-152, en Vatin 1984. Verschillende bruikbare
artikelen in Riemer & Rimer 2005. Meer detail over metoiken: Whitehead 1977 (zie vooral 109-124, bekijk de rest)
en Gauthier 1972, 107-156. Over slaven: algemeen in Vatin 1984; een specifiek
geval in Vogt 1983 en in Bäbler in Riemer & Riemer 2005, 65-88. Voor de afkomst van de slaven, zie de meest directe
bron: Pritchett 1956, 276-281, met name het staatje op p.278. Als een indicatie
van tolerantie kan men denken aan uitheemse kulten in Attika (zie Parker 1996); als indicatie
van dys-stereotypie en mogelijk discriminatie zie Bicknell 1982 over de manier
waarop het verwijt van een uitheemse afkomst kon worden ingezet in de
politieke strijd.
|
|
| Onderwerp 10: Grieken in den vreemde | inhoudsopgave |
|
Toen de Grieken al koloniserend
uitzwermden over het gigantische gebied van de noodkust van de Zwarte Zee tot de
oostkust van Spanje achtten zij het zeker niet beneden hun waardigheid contacten
aan te gaan met de barbaren die zij in al die gebieden aantroffen. Een andere
vraag is of deze contacten terug te vinden zijn in het vreemdenbeeld.
Concentreer op Massilia en het Griekse beeld van de Kelten: voor de contacten
zie Wells 1980, 16-79 (nog eens samengevat in Wells 1984, 102-116) en Cunliffe
1988, 12-37. Voor het Griekse Kelten-beeld, zie Hatt 1984 en Momigliano 1975,
50-73.
|
|
| Onderwerp 11: Hellenistisch cosmopolitisme | inhoudsopgave |
|
In de hellenistische wereld
werden verschillende volken zonder enige twijfel grondig dooreengemengd; de
Grieken vergroten hun wereld en delen die wereld, zowel de nieuw-verworven
gebieden als de oude moederlanden, met vele vreemden. Het is echter de vraag
of ook geestelijk hun horizon verruimd werd: onderging het vreemdenbeeld nu
ingrijpende veranderingen? Voor de hellenistische situatie zie Baslez 1984,
208-355. Volg enkele van haar verwijzingen na, bijvoorbeeld die betreffende het
religieuze leven op Delos. Kijk voor de huurlingenlegers ook even in Launey
1949, 63-103 (‘statistique’, zie vooral de tabellen). Voor het
vreemdenbeeld in de hellenistische periode: de algemene werken (zie bij
onderwerp 1) en Momigliano 1975, 1-21.
|
|
| Onderwerp 12: Het Romeinse vreemdenbeeld: wat is een barbaar? | inhoudsopgave |
|
Enerzijds hebben we te maken
met een Griekse erfenis, anderzijds met de specifiek Romeinse uitwerking
daarvan. Centraal staan het woord barbarus en verschillende varianten
daarop, in de periode van Republiek en Principaat. Zie de algemene
overzichten van Opelt & Speyer 1967, 251-266, Christ 1959, 276-279, 282-286,
Jüthner 1923, 60-87, Haarhoff 1938, 216-221, Walser 1951, 67-72 en Vogt
1967, 7-14. Meer detail is te vinden in Dauge 1981: dit werk moet zeer selectief
gebruikt worden (via de index benaderen!), maar zie in elk geval pp. 393 e.vv.
Vergelijk ook Dubuisson 1984, Ferris 2000, Guenneweg 1998 en
Trzaska-Richter 1991. Voor een meer concrete invulling, met
een aantal andere begrippen die naast barbarus een rol speelden in de
Romeinse politiek: zie Saddington 1961, 90-102, Saddington 1975, 112-137,
Gaudemet 1965 en Balsdon 1979, 59-70.
|
|
| Onderwerp 13: Het vreemdenbeeld in de Late Oudheid | inhoudsopgave |
|
We kunnen de lijn uitgezet in
onderwerp 12 verder in de geschiedenis doortrekken, naar de periode van het
Dominaat. In de Late Oudheid spelen twee zaken, namelijk de pressie aan de
grenzen van het rijk, en de opkomst van het Christendom, die bepaalde verschuivingen
in het vreemdenbeeld teweeg brengen. Zijn nu bijvoorbeeld Romeinse
niet-Christenen ook barbaren? Voor een inleiding beginnen met Christ 1959 en
Ladner 1976. Meer detail in Vogt 1967 (een belangrijke tekst, die goed als uitgangspunt
kan dienen voor het eigen werk) en in Dauge 1981, 307-378. Verschillende auteurs
worden elk apart behandeld door Paschoud 1967; begin met 9-21 en 323-335 en zoek
eventueel vanuit die positie voorbeelden op in de hoofdtekst. Een specifiek
probleem wordt aangesneden door Waszink 1963.
|
|
| Onderwerp 14: Het Romeinse zelfbeeld: Romeins patriottisme | inhoudsopgave |
|
Tegenover het vreemdenbeeld
staat ook bij de Romeinen een zelfbeeld. Dit zelfbeeld vindt uitdrukking in
een krachtig patriottisme en een opvallende zelfrechtvaardiging. De situatie
lijkt eenvoudiger dan in het geval van de Griekse wereld, maar ook hier moeten
we ons afvragen waar nu precies de loyaliteit ligt en of er veranderingen in de
tijd waarneembaar zijn. Zie om te beginnen Brunt 1978 en Balsdon 1979, 1-29.
Vergelijk vervolgens Bonjour 1975; zie vooral pp. 1-7 & 39 over
verschillende typen van patriottisme; zie daarvoor ook Gasser 1998. Op
pp. 352-437 bij Bonjour volgt een opsomming van een groot aantal symbolen; vermijd
absoluut Bonjours psychologiserende aanpak, maar verzamel hier wel
een aantal kernbegrippen en trefwoorden. Zie dan Dauge 1981, 532 e.vv. (en
gebruik de index om verder te komen).
|
|
| Onderwerp 15: De intree van vreemden in de Romeinse elite | inhoudsopgave |
|
De Romeinse samenleving
vertoont een bepaalde opzichten een opmerkelijke openheid: we zien in de
Keizertijd provincialen in toenemende mate doordringen tot vaak belangrijke
posities in het rijk. Romeinen en Italianen lijken genegen de macht te delen met
Spanjaarden, Noord-Afrikanen, Syriërs, enzovoort. In de eerste plaats moeten
we precies nagaan wie de nieuwkomers zijn: dan kunnen we ook zien of bepaalde
groepen uit de boot vallen. In de tweede plaats moeten we ons afvragen of de
zittende elite wel altijd even enthousiast was. Kijk in de eerste plaats naar de
uitbreiding van het Romeinse burgerrecht: Sherwin-White 1972 geeft een
algemeen overzicht en verdere verwijzingen. Dan inleidend over de elite Syme
1958b. Kijk in detail naar de samenstelling van de senaat: Alföldy 1975, 209
geeft alle benodigde literatuur. Zie in ieder geval ook Walton 1929. Aan de orde
moet komen de zgn. Tabula Claudiana (Tacitus, Annales 11,23 e.vv. en ILS 212,
vertaald in Levick, The government of the Roman Empire, no. 159).
|
|
| Onderwerp 16: Vreemden in het Romeinse recht | inhoudsopgave |
|
Zie de volgende titels in de
bibliografie bij de syllabus: Gaudemet 1965, en Balsdon 1979 (in de eerste
plaats de pp. 82-96). Houd een inleiding in het Romeinse recht in het algemeen
bij de hand: zulke inleidingen zijn er verscheidene, ook in het Nederlands;
zeer bruikbaar is Kunkel 1971 (ook in Engelse vertaling: Oxford 1973). Aldaar
vele verdere literatuurverwijzingen. Algemene overzichten bruikbaar voor het
onderwerp in kwestie zijn: Gaudemet 1967 en Kaser 1955-1959, beide zeer omvangrijke
werken, waarin het zaak is gericht te zoeken (naar het ius gentium,
de kwestie van dubbel burgerrecht, enz.). Sherwin-White 1973, moet de basis
blijven voor alles wat over burgerrecht gezegd wordt; vgl. ook Sherwin-White
1972 en Freis in Riemer & Riemer 2005, 131-146. Een drietal meer gespecialiseerde stuks literatuur van relevantie voor dit
thema: Vittinghoff 1952; Heuss 1933; Dahlheim 1968 (NB: dat is dus allemaal
over de republiek of het prille principaat; discussies over het ius gentium
in later tijd lijken allemaal geïncorporeerd in werken over Romeins civiel
recht in het algemeen).
|
|
| Onderwerp 17: Romanisering? | inhoudsopgave |
|
Over het begrip romanisering woedt al lange tijd een heftig debat. Is het een
bruikbare term, en zo ja, wat verstaan we er precies onder? En zo nee, wat
hebben we voor alternatieven? Een korte (maar niet zo spannende) introductie in
Heimberg 1998. Zie de bundels Webster 1996 en Mattingly 1997: daarin staan
stukken specifiek over het concept, maar ook de overige inhoud werpt een licht op
het debat. Zie verder Woolf 1998, Webster 2001, Hingley 2003a en 2003b, Mattingly
2002, Keay & Terrenato 2001, en MacMullen 2000. Eck & Wolff 1986
bespreken een specifiek geval van integratie: die optredend (afgedwongen?) binnen het Romeinse
leger.
|
|
| Onderwerp 18: Grieken over Romeinen | inhoudsopgave |
|
Grieken en Romeinen hebben wel
bijzonder innige contacten onderhouden, waarbij de Romeinen de
militair-politieke overwinnaars waren, de Grieken op het gebied van de cultuur
de overhand behielden. Er resulteerde een moeilijk te ontwarren geheel van acculturatie
en verzet, bewondering en minachting, enzovoort. Concentreer hier op het
oordeel van de Grieken over hun Romeinse meesters. Begin met het algemene
overzicht van Balsdon 1979, 161-213. Vervolg met Breebaart e.a. 1982 (lees met
name de artikelen van Breebaart en Meijer, waarbij het stuk van die laatste
vergeleken moet worden met Crawford 1978). Voor de Griekse kijk op het Romeins
imperialisme: zie Bengtson 1964; Momigliano 1975, 22-49; Grün 1984, 316-356.
Verder materiaal moet vergaard worden uit Palm 1959, en Forte 1972: beide zijn
grote, onoverzichtelijke, chronologisch opgebouwde werken, die zeker
niet bestemd zijn om van voor tot achter te lezen; maar met name Forte is goed
toegankelijk via een zeer uitgebreide index. De verzamelbundels
Ostenfeld 2002 en Goldhill 2001 zijn de moeite waard door te kijken.
|
|
| Onderwerp 19: Romeinen over Grieken | inhoudsopgave |
|
Vergelijk onderwerp 18, maar
ditmaal gaat het vooral om de Romeinse visie op hun Griekse onderdanen.
Begin met Balsdon 1979, 30-54, Sherwin-White 1967, 62-86, en Vogt-Spira 1999. Voor Romeinse
oordelen over de Grieken zie verder Petrochilos 1974, 35-48 (stereotypie),
48-53 (graeculus), 197-201 (conclusie). Voor philhellenisme: zie Wallace 1990, Wallace-Hadrill
1998, Grün 1984,
250-272 (en 270 e.vv. over het tegendeel), Ostenfeld 2002 en Wardman 1976, 25-60. Vergelijk
Leeman, in Breebaart e.a. 1982. Neem in ieder geval één specifiek geval
nader onder de loep, namelijk homoseksualiteit: MacMullen 1982.
|
|
| Onderwerp 20: Barbaren over Romeinen? | inhoudsopgave |
|
Natuurlijk hebben we Griekse
bronnen die ons de Griekse visie op de Romeinen meedelen; dat was onderwerp van
een eerdere opdracht. Maar is er ook iets te achterhalen van anti-Romeinse
sentimenten van anderen dan de Grieken? Begin met het algemene overzicht in
Balsdon 1979, 161-192. Barbaren spreken hun afkeer van Rome alleen uit via
Romeinse zegslieden: zie Walser 1951, 154-160, en overweeg de bijzondere
problemen die deze bronnen oproepen. Lees enkele van de betreffende passages
in vertaling.
Anti-Romeinse sentimenten worden behandeld in de klassieker Fuchs 1964.
Zet hier MacMullen 1966 (relevante passages) en Momigliano 1975, 22-49
naast. Een pendant van Fuchs voor het westelijk deel van het rijk wilde bieden:
Lambrechts 1966. Zijn idee van barbaars nationalisme is echter zeker
aanvechtbaar (en stel de vraag in hoeverre we gevoelens kunnen aflezen uit
daden, in dit geval opstanden). Vergelijk Sanders 1966 en MacMullen 1965.
Voor het idee van weerstand tegen romanisering, zie ook Bénabou 1976, Alcock in Mattingly 1997, en Elsner 1997.
|
|
| Onderwerp 21: Joden over Romeinen | inhoudsopgave |
|
Grieken
en Romeinen spreken over elkaar, maar verder spreken beiden vooral OVER anderen.
De objecten van hun discours zeiden niets terug omdat zij geen traditie van
geschreven teksten hadden of omdat hun teksten zijn vernietigd. Enkele
uitzonderingen vinden we in het Nabije Oosten: met name de Joodse stemmen blijken nog
vrij hoorbaar: zie Lange 1978, Glatzer 1962, Veltri 2000, Hadas-Lebel 1987, Stemberger 1979 en
1983, Rajak 2002.
|
|
| Onderwerp 22: Kelten | inhoudsopgave |
|
Zie Kremer 1994 voor een zeer compleet overzicht van
de beeldvorming inzake de Kelten. Grieken en Kelten kwamen in
contact met elkaar in Gallië, vergelijk hiervoor onderwerp 10. Wanneer het Griekse Keltenbeeld
veranderingen ondergaat, is dit niet het gevolg van gebeurtenissen in
Gallië; zie Rankin 1987, 34-102 (vooral 83 e.vv.: veranderende houding
t.g.v. Keltische invasies), en vergelijk de Klein-Aziatische Kelten-monumenten,
verzameld door Bienkowski 1908, met de analyse door Hölscher 1985, en Strootman
2003.
|
|
| Onderwerp 23: Grieken en zwarten | inhoudsopgave |
|
Het viel ook de Grieken op
dat Afrikanen een donkere huid hadden. Maar werden er aan het kleurverschil ook
bepaalde consequenties verbonden? Was het beeld van de zwarte positief,
neutraal, negatief, of zelfs een voorbeeld van racisme avant la lettre? Inleidend:
Lonis 1981. Voor een globaal overzicht van de Griekse situatie: Snowden
1948; meer detail in Snowden 1970 (vergelijk de herhaling in Snowden
1983). Kritiek op Snowden bieden Metzler & Hoffmann 1977, 5-20, en
Desanges 1970. Zeer uitvoerig over de contacten van Grieken en Afrikanen in
Afrika: Desanges 1978. Afbeeldingen van zwarten in Beardsley 1929, Snowden
1970, Snowden 1983, Vercoutter e.a. 1976.
Concentreer in de bovengenoemde literatuur, die meestal Grieks en Romeins
materiaal tesamen behandelt, strict op het Griekse gedeelte, en schenk daarbij
veel aandacht aan de klassieke en hellenistische iconografie.
|
|
| Onderwerp 24: Romeinen en zwarten | inhoudsopgave |
|
Het viel ook de Romeinen op
dat Afrikanen een donkere huid hadden. Maar werden er aan het kleurverschil ook
bepaalde consequenties verbonden? Was het beeld van de zwarte positief,
neutraal, negatief, of zelfs een voorbeeld van racisme avant la lettre?
Aangezien Noord-Afrika deel uitmaakte van het rijk in de keizertijd verdient het
mogelijk aanbeveling te concentreren op dat gebied in die periode. Inleidend:
Lonis 1981. Voor een globaal overzicht van de Romeinse situatie: Snowden
1947; meer detail in Snowden 1970 (vergelijk de herhaling in Snowden
1983) en Thompson 1989. Kritiek op Snowden: Metzler & Hoffmann 1977,
5-20 en Desanges
1970. Wiesen 1976. Zeer uitvoerig over de contacten van Romeinen en Afrikanen:
Desanges 1978. Zie voor verdere bibliografische verwijzingen eventueel de
regelmatig verschijnende Bibliographie analytique de l’Afrique antique.
Een detail dat aandacht verdient, is de roman Aithiopika van Heliodoros:
zie naast Snowden ook Dilke 1980, 264-271, met name 265-266.
|
|
| Onderwerp 25: Grieken en Egypte | inhoudsopgave |
|
Egypte is een land dat de
Grieken altijd mateloos gefascineerd heeft: dat Egyptenaren geen barbaren in de
zin van ‘wilden’ waren, was natuurlijk meer dan duidelijk. Ook zijn de
Egyptenaren voor de Grieken nooit, zoals de Perzen, tegenstanders op het
slagveld geweest. Aan de andere kant maakten zaken als diercultus een slechte indruk.
Hoe werkten al deze tegenstrijdigheden uit in het beeld dat men zich van Egypte
vormde? Algemene overzichten in Assmann
1999 en bij elkar te puzzelen uit de bundel Bol, Kamiski & Maderna 2004. Een thema om op concentreren is de Egypte-beschrijving van Herodotos. Inleidend: Hartog
1986. Detail wordt aangebracht door Froidefond 1971 (even doorbladeren, maar
concentreren op 115-207, over Herodotos). Lüddeckens 1962, Vogt 1962,
Spiegelberg 1926, How & Wells 1928, commentaar bij boek ii en appendix ix,
en Benardete 1969, 32 e.vv. geven meer informatie over Herodotos, en
bespreken met name ook het probleem van de betrouwbaarheid. Gebruik bij
voorkeur de Nederlandse Herodotos-vertaling van O. Damsté.
|
|
| Onderwerp 26: Romeinen en Egypte | inhoudsopgave |
|
In het algemeen over de Romeinse opvattingen over Egypte: Sonnabend 1986 en
selecties uit Bol, Kaminski & Maderna 2004. Voor zogeheten Egyptiaca in Rome
en Italië, zie inleidend Speksnijder 2006, en detail (selectief benaderen) in
Versluys 2002, Ashton, Buttrey & Popescu 2004 en Bricault, Versluys, Meyboom
2007. Een goed aanknopingspunt om het Egyptebeeld van de Romeinen tegen het
licht te houden is Kleopatra: zie Becher 1966 en Wes 2000.
|
|
| Onderwerp 27: Vreemdelingen in Egypte | inhoudsopgave |
|
Hellenistisch-Romeins Egypte:
hier staat niet in de eerste plaats de beeldvorming centraal, als wel de
concrete contacten en de relaties tussen de verschillende groepen die zich
ofwel blijvend vestigden ofwel Egypte als bestuurder/soldaat/toerist/enz.
aandeden. Ter introductie: Zeidler in Riemer & Riemer 2005, 31-64. Voor dit onderwerp hebben we Braunert 1964 en Pestman 1985; vgl. dan ook
een artikel van Peremans in de bundel Grecs et barbares; meer algemeen:
Lewis 1983, Seidl 1973, van’t Dack, van Dessel &
van Gucht 1983.
|
|
| Onderwerp 28: Grieken en Perzen: stereotypen | inhoudsopgave |
|
Het beeld dat de Grieken zich
van de Perzen vormden, maakt vanzelfsprekend een belangrijk deel uit van hun
kijk op de buitenwereld. Het beeld lijkt op het eerste gezicht simpel en
onveranderlijk; bij nadere beschouwing zijn er intrigerende nuances te
ontwaren. Een korte inleiding én een studie van het iconografisch materiaal
biedt Bovon 1963; vgl. ook Brulé 1995. Een breed algemeen overzicht in Georges 1994. Zie voor de vroege periode in de eerste plaats Diller 1962.
Haberkorn 1940, 9-80 geeft alleen een eenvoudige opsomming van de inhoud van
de bronnen uit de 4de eeuw: wel handig. Over Xenofon: Hirsch 1985 (zie de
inleiding en de hoofdstukken 1 & 6 met noten). Alles wordt nog eens
samengevat door Walser 1984, 1-8; 101 e.vv., 115 e.vv. Voor verdere nuancering:
Momigliano 1975, 123-150. Om de stereotypie in de afbeeldingen te kunnen
beoordelen gevechtsscenes uit Bovon vergelijken met afbeeldingen in Von Bothmer
1957, en Vian 1951 en 1952.
|
|
| Onderwerp 29: Grieken en Perzen: contacten | inhoudsopgave |
|
De Pers als de aartsvijand van
de Griek, de Pers als de proto-typische oosterse barbaar: elementen uit de
beeldvorming. Maar de contacten tussen Perzen en Grieken waren vaak
opmerkelijk intiem, ook tijdens en na de Perzische Oorlogen. Een vergelijking
met de uitkomsten van onderwerp nr.11 kan mogelijk bepaalde patronen aan het
licht brengen. Een algemeen overzicht van de Grieks-Perzische contecten in
Balcer 1983 en Walser 1984 (hiernaast Starr 1975-1977 oppervlakkig doornemen,
vooral de eerste twee gedeelten en de conclusie). Voor nadere informatie over
Grieken in Perzië gebruik maken van Hofstetter 1978 (dit werk is een prosopografie;
ga uit van de indices B en E en neem een ruime steekproef, zodat we een goede
indruk krijgen van wat voor Grieken in Perzië rondliepen; vgl. de
samenvatting in Walser 1984, 20-26). Over collaboratie: Gillis 1979, vooral
39-81; zie ook de nadere beschouwing van de term medisme in Graf
1984, 15-16. Grieken en Perzen in oorlog: werden barbaren (veel) slechter behandeld?
Lonis 1969, met name 41-55 over gevangenen, en 115-126 over verdragen (en vgl.
de conclusie 149-162).
|
|
| Onderwerp 30:Joden in Egypte | inhoudsopgave |
|
Errington 1984 biedt een zeer globale inleiding. Voor een redelijk
compleet overzicht: Mélèze-Modrzejewski 1995. Verdieping inzake de juridische
positie bieden Kasher 1985 (met het voorafgaande Kasher 1976), Ben Ze'ev
1989 en Levine 1999. Hier doorheen zit natuurlijk onverbiddelijk ook het
onderwerp van het Egyptische, in het bijzonder het Alexandrijnse antisemitisme
gevlochten (zie Wilcken 1909 voor een introductie, Yoyotte 1963, en vergelijk onderwerp 39):
probeer toch dat thema en een meer algemene benadering gescheiden te houden.
|
|
| Onderwerp 31: Joden in het Romeinse rijk | inhoudsopgave |
|
Strubbe 1989 en Smelik 1989 bieden een goede inleiding op de feitelijke positie
van de Joden in de diaspora. Fine 1999 diept een en ander verder uit, Rutgers
1995 trekt de lijn verder door in de tijd. Een beginpunt voor de beeldvorming
zou Tacitus kunnen zijn: zie Hospers-Jansen 1949, Bloch 2002 en Blumenkranz
1951-1952. Over de houding van de Romeinse overheid: Rabello1980, Rajak 1984,
Rutgers 1994 en Noetlichs 1996. Algemene overzichten: Lieu, North & Rajak
1992, Goodman 1998, en Gruen 2002.
|
|
| Onderwerp 32: Skythen | inhoudsopgave |
|
Ook de Skythen mochten zich in
een grote belangstelling verheugen: zij waren de prototypische noordelijke
barbaren. Een groot aantal stereotypen, negatieve en positieve, is hier
geconcentreerd, en de Skythen vormen daarmee een essentieel onderdeel van
het Griekse, en later het Romeinse wereldbeeld (zelfs wanneer de nomadenvolken
die aanvankelijk als Skythen betiteld werden allang door anderen vervangen
zijn). Inleidend Lévy 1981, en voor een brede achtergrond Shaw 1982-1983. Een
uitgebreide behandeling van de Skythen bij Herodotos: Hartog
1988 (in de Franse ed van 1980: 23-219). Vergelijk Meuli 1962, een belangrijk overzicht.
Voor Strabons behandeling van dezelfde materie: Lulofs 1929, en Van der
Vliet 1977 (via index). Om het antiek materiaal eventueel te confronteren
het archeologisch materiaal kan Rice 1958 dienen.
|
|
| Onderwerp 33: India | inhoudsopgave |
|
Nog aanzienlijk exotischer dan
Egypte of het Skythenland is India. Toch was de kennis die men van dit gebied
had vrij groot: de Grieken waren onder Alexander tot in India gekomen, en
Griekse rijkjes bestonden gedurende vele eeuwen in het gebied van Afghanistan,
Kasjmir, Noord-Pakistan en Noord-India; de Romeinen onderhielden directe en
indirecte handelscontacten met India. Een introductie in Singor 2006. In welke mate is nu het beeld dat men van
India had realistisch, en is de waardering positief of negatief? Ga uit van
het algemene overzicht in Sedlar 1980, dat in alle opzichten verder helpt. Voor
de ethnografische traditie: Dihle 1964, Delaygue 1995, Mund-Dopchie &
Vanbaelen 1989, Dahlquist 1962 en Timmer 1930. De contacten met Rome
worden behandeld door Filliozat 1956. Een studie van het Romeinse beeld van
India, voorzover niet identiek met het hellenistische, ontbreekt, maar er is een
verzameling teksten met vertaling, een korte inleiding, een kort
commentaar en een uitstekende index: André & Filliozat 1986.
|
|
| Onderwerp 34: De etnografische traditie | inhoudsopgave |
|
Stereotypen zijn hardnekkig:
niet alleen worden ze langdurig in het dagelijks verkeer gebruikt, ook kunnen
ze een meer sluimerend bestaan leiden in een literaire overlevering. Zo heeft
zich ook een groot aantal stereotypen zich genesteld in de Grieks-Romeinse
wetenschappelijke traditie van de land-en volkbeschrijvingen. Willen we
kunnen onderscheiden wat in een specifiek geval een levend vreemdenbeeld is,
en wat mogelijk alleen een geleerde overlevering, dan moeten we enig zicht
hebben op de etnografie en haar gemeenplaatsen (topoi). Begin met het korte overzicht
in Van der Vliet 1977, 119-151. Vervolgens uitbreiden met relevante informatie
uit Müller 1972 en Van Paassen 1958 (beide werken selectief doornemen). Voor de
topoi: Trüdinger 1918, 175 e.vv. (maar lees niet alleen die pagina’s!).
Voor de hellenistisch-Romeinse traditie wordt vervolgens enig detail
geboden door Dihle 1962 en Walser 1951, 67-85.
|
|
| Onderwerp 35: De nobele wilde | inhoudsopgave |
|
Bij nadere bestudering van het
materiaal blijkt al snel, dat aan barbaren ook wel eens mooie eigenschappen
worden toegeschreven, zoals een grote wijsheid. Er zijn bij deze
eu-stereotypie verschillende mogelijkheden: ofwel er wordt gewezen op het feit
dat niet alle vreemde volken (zo ver) achterliggen in cultureel opzicht, m.a.w.
dat er ook beschaafde barbaren zijn, ofwel het is juist hun onbeschaafdheid, geïnterpreteerd
als onbedorvenheid, die maakt dat zij positief beoordeeld worden. Probeer op
het laatste te concentreren. Inleidend: Ferguson 1975, 16-22 en Gatz 1976,
189-200. Vergelijk over het verschijnsel van primitivisme: Lovejoy & Boas
1935 (vooral 1-22, 287-367). Hier kunnen we van alles en nog wat aan verbinden,
bijvoorbeeld de houding ingenomen ten opzichte van het landleven of van de vrije
natuur: zie bijvoorbeeld Ramage 1973 over urbanitas (vooral 64-67 met tegendelen
als rusticitas én peregrinitas); Dover 1974, 112 e.vv.; Pavlovskis 1973,
1-7 (vooral ook de noten goed lezen). In dit geval is het comparatief materiaal
toch te aantrekkelijk om het te laten lopen, en bovendien nuttig voor een
goede begripsafbakening: zie Bitterli 1976, 367-425; Frenzel 1980, 793-807;
en Fairchild 1961 (ook wat Oudheid).
|
|
| Onderwerp 36: Realisme? Caesars Bellum Gallicum | inhoudsopgave |
|
Hebben we in het geval van
Caesars beschrijving van de Keltische en Germaanse stammen waar hij mee te
maken kreeg tijdens zijn lange campagne in Gallië (en aan de Rijn en in
Zuid-Engeland) te maken met een realistisch ooggetuigenverslag, of hebben de
stereotypen, levend onder de Romeinse elite, en/of ontleend aan de
ethnografische literatuur, toch de overhand? Bij de beantwoording van deze
vraag speelt natuurlijk mee, dat de ethnografische excursen in het werk van
Caesar ongetwijfeld met een bepaald oogmerk zullen zijn neergeschreven. We
moeten ze zien in het kader van Caesars politieke en militaire carrière. Samenvatting
van een deel van het debat in Rosner 1988: een goed uitgangspunt. Bekijk
vervolgens zelf Heubner 1974, 103-119, 181-182 (een marxistische benadering);
Koutroubas 1972, 7-9 en 209-215 (ook de noten!); Walser 1956, 52-85 (78 e.vv.
over de politieke doelstellingen); Beckman 1930, 180 e.v.; Rambaud 1952, 363
e.vv. (en benader van daaruit ook de hoofdtekst). Voor de ethnografische achtergrond
van het werk: zie Rudberg 1933 en Nash 1976, 111-126. Gebruik een goede vertaling
van de Bellum Gallicum (bv. Loeb of Penguin).
|
|
| Onderwerp 37: Idealisering? Tacitus Germania | inhoudsopgave |
|
Van de Germania zijn
vele verschillende interpretaties gegeven. Daarvan is er natuurlijk niet
noodzakelijkerwijs slechts één juist: de Germania is een werk dat zich
op verschillende niveaus laat beschouwen. Zijn de Germanen bij Tacitus nu
nobele wilden of niet? Is het werkje een poging tot realistische volksbeschrijving
of is het een moralistisch tractaat? Samenvattend Anderson 1938,
pp.ix-xxxiv; vergelijk Dudley 1968, 218 e.vv.; contrasteer met Syme 1958a,
vol.1, 125-129, en vol.2, 520-533. Zie vervolgens Dauge 1981, 213-280. Voor de
ethnografische achtergrond: Rudberg 1933 (en vergelijk eventueel ook Norden
1920). Voor de uiteindelijke beoordeling van Tacitus kennis nemen van Wolff
1969, Christ 1965, en Blumenkranz 1951-1952. Gebruik een goede vertaling van
de Germania, bij voorkeur die van de hand van J.W. Meijer (Tacitus, Opera
minora, Haarlem 1961).
|
|
| Onderwerp 38: Racisme? | inhoudsopgave |
|
Vaak wordt gesproken over
racisme in de wereld van de Oudheid. Maar dan moeten we ons in
eerste instantie afvragen of het begrip ras ook in de Oudheid
bestond, althans met een biologische inhoud zoals er in de 19de eeuw aan gegeven
is. Was bijvoorbeeld erfelijkheid in de Oudheid een bekend gegeven? Zie voor
dit aspect Geurts 1941, 189-198; vergelijk Lesky 1951, 1312-1336 (concentreer
op 1331f.), Jouanna 1981 en Backhaus 1976 (let vooral op het debat inzake nomos
en fusis ). Minder medische benadering van het probleem in Dover
1974, 83 e.vv. Een centrale plaats moeten innemen: Isaac 2004 en Sherwin-White 1967;
vergelijk (na eigen, onbevooroordeelde
lezing van Sherwin-White) de recensies van diens werk door Den Boer 1969-1970 en Demougeot 1968.
Vergelijk ook de nuanceringen in Watts 1976, en zie Dauge 1981, 524 e.vv. Het onderwerp racisme
kan moeilijk geheel los worden gezien van het onderwerp antisemitisme: zie Van Arkel 1989 en vergelijk onderwerp
39, of van de behandeling van zwarten in de Oudheid: zie onderwerpen 23 en 24..
|
|
| Onderwerp 39: Antisemitisme? | inhoudsopgave |
|
Was er in de wereld van de Oudheid zoiets als antisemitisme, in de zin van
anti-Joodse gevoelens? Zo ja, welke vorm had dat antisemitisme? In welke relatie
staat het tot het Christelijke antisemitisme? De hoeveelheid literatuur is
overstelpend. Algemene, korte introducties: Walz 1995, Meagher 1979, Bolkestein
1936, Braunert 1975, Daniel 1979, Mélèze-Modrzejewski 1981, Yoyotte 1963.
Uitgebreidere studies, sommige toegespitst op antisemitisme, andere breder van
opzet over Joods-niet-Joodse relaties: Feldman 1993, Gager 1983, Langmuir 1990 (met
voorafgaand Langmuir 1978), Almog 1988, Sevenster 1975, Gruen 2002, Van Arkel 1986. Zie zeker
Langmuir over hoe het begrip te definiëren. Voor een mogelijke omschrijving van antisemitisme als racisme,
vergelijk onderwerp 38.
|
|
| Onderwerp 40: Taal | inhoudsopgave |
|
In welke mate werd taal gezien als een onderscheidend kenmerk? We mogen aannemen (gezien het
begrip barbaros, vgl. onderwerpen 1 en 12) dat taal een centrale plaats innam in het discours over
de ander.
Toch is er weinig geschreven over dit specifieke onderwerp. Voor een algemene achtergrond (niet Oudheid): Burke & Porter 1991.
Over het belang door Grieken gehecht aan taal: Heath 2005. Theorievorming en praktijk (tweetaligheid enz.) worden behandeld
in Müller, Sier & Werner 1992, Dubuisson 1982, 1983, 1984, en Cooley 2002.
|